Categoriearchief: Avonturen

Landbouwverbreding in Toscane

KL4vier was er even tussenuit. De voorbije paasvakantie ging het met de camper richting Rome. Maar vlak voor we de Italiaanse hoofdstad aandeden, was er tijd voor een tussenstop in Montepulciano. Het beroemde Toscaanse wijnstadje vormde op een verre heuveltop een aangenaam deel van het prachtige panorama op onze kampeerplaats. We namen één van de zeven plekken in bij de agricampeggio La Buca Vecchia. “Het Oude Gat” wordt er gevormd door een steile afdaling aan de achterzijde van het boerderijtje. Beneden ligt een kristalhelder meertje omzoomd door wat bos waar in het najaar truffels uit de grond worden gehaald. Maar onze gastheer Giovanni heeft nog heel wat meer in zijn mars.

Giovanni Cugusi: Mijn grootvader Pietino Cugusi en zijn vrouw Maria Antonia woonden op het eiland Sardinië. Op zoek naar ruimte om hun eigen boerderij te starten kwamen ze rond 1966 in deze regio, Val d’Orcia terecht. Toscane was in die tijd alles behalve een bloeiende streek. Rond 1950 en 1960 was er hier een ware plattelandsvlucht en de lokale economie stelde niet veel meer voor. Maar de familie Cugusi had geen schrik om te ondernemen. Mijn grootouders hadden ervaring met schapen kweken. De wilde mouflons op Sardinië vormen niet voor niets de voorouders van heel wat Europese schapenrassen. Mijn voorouders kweekten er Sardijnse schapen om de typische kaas Pecorino Sardo te maken.

Maar hier in Toscane moesten je grootouders terug van nul beginnen.

Giovanni: Klopt! Het landhuis dat ze kochten heette La Buca Nuova, hier vlak naast mijn boerderij. Er was 50 hectare grond bij. Toch volgden er enkele moeilijke jaren. Maar ze werkten hard en waren enthousiast over hun nieuwe leven in een vreemde streek met andere gewoontes en tradities. Ongeveer twee jaar na hun aankomst hier, namen ze een belangrijke beslissing. Ze startten met de verwerking van een deel van hun melk, maakten er Pecorinokaas van en verkochten die rechtstreeks aan de liefhebbers uit de regio. En dat doet onze familie eigenlijk nog steeds!

Ondertussen is de schaal wel wat groter geworden!

Giovanni: Al snel werd alle schapenmelk van mijn grootouders tot kaas verwerkt. Het was echt een succes. Ze slaagden er ook in om hun management van het bedrijf echt behoorlijk professioneel uit te bouwen. In 1982 namen twee van hun zonen het bedrijf over. De “Formaggi Nostrani of Cugusi Emilio & Graziano” was geboren. Toen begon het grote verhaal pas echt. De kaasmakerij werd verder uitgebouwd en de Pecorino werd ook buiten de regio verkocht. Al gauw volstond de eigen melkproductie niet meer. Steeds meer schapenboeren uit de omgeving leverden hun melk aan de familie Cugusi. Maar ze deden niets onbezonnen. Er werd altijd gekozen voor een geleidelijke groei. Want het belangrijkste was het bewaren van de tradities. Op de kwaliteit en het typsiche karakter van de kaas mocht niet worden ingeboet! En tot op vandaag maakt de “Fattoria Buca Nuova” op die manier het verschil: door het respecteren van tradities die van vader op zoon werden doorgegeven. In de hoop dat de consument het belang inziet van kwaliteit, oprechtheid en het lokale karakter.

Het winkeltje bij La Buca Nuova waar je grootouders oorspronkelijk startten, bestaat nog steeds?

Giovanni: Ja! In 1997 verhuisde de kaasproductie naar een KMO-zone in het nabijgelegen Pienza. Maar het winkeltje hier blijft bestaan en is bijna elke dag open. We verkopen er natuurlijk onze verschillende variëteiten Pecorino di Pienza. Dat gaat van een vrij jonge kaas tot de typische brokkelige Gran Riserva die perfect samen gaat met een Vino Nobile di Montipulciano. Daarnaast biedt ons winkeltje ook heel wat Toscaanse producten aan van collega’s uit de buurt: vleeswaren, wijn, olijfolie, truffels,…

Zelf kies je niet voor het specialiseren in kaas, maar voor verbreding op de boerderij.

Giovanni: (lacht) Hoewel dat misschien niet het oorspronkelijke plan was! Ik studeerde Voedingstechnologie, dus wellicht zag mijn familie me al ergens in het labo van de kaasmakerij zitten. Maar na mijn studies wou ik de band met onze familiegeschiedenis opnieuw versterken. Terug volop de link leggen met de

regio, de bodem van waaruit alles start. En dat alles zo puur mogelijk. Op La Buca Vecchia trek ik de kaart van biologische landbouw. Ik heb nog steeds een kleine kudde Apennijnenschapen, een typisch ras uit de regio. Ze leven zowat volledig op gras en kruiden uit de weides rond het bedrijf. Dit ras is vooral bedoeld voor het vlees en de wol. Daarnaast kweek ik ook op kleine schaal varkens. Het Cinta Senese is één van de oudste rassen ter wereld. Heel sterk en ziekteresistent. Het was ooit met uitsterven bedreigd, maar nu is de vraag naar het heerlijke vlees groter dan ooit. Heerlijke coppa, salami’s, ham of het lardo (spekvet) dat propvol smaak zit! De dieren krijgen rustig de tijd om buiten rond te wroeten en te groeien tot ze bijna 200 kilogram wegen. Ondertussen werden er enkele oude fruitrassen aangeplant en wil ik ook met vergeten groenten aan de slag. Heel ambitieus, maar ik geloof er 100% in. En door de aanleg van zeven camperplekken met een uniek uitzicht, breng ik ook de toeristen weer dichter bij ons pure verhaal van tradities en korte keten. En het levert ook financieel een extraatje op, natuurlijk.

In het nieuw!

Een nieuw jaar, een nieuwe start. In mijn geval ook een nieuwe job. Ik bruis van energie en zit vol goede voornemens. Om te beginnen: voor het eerst, na 12 jaar, met de fiets naar kantoor. De vaststelling dat dit vanaf nu zowat 40 kilometer dichter is dan ooit tevoren, helpt natuurlijk. Maar laat dat geen reden tot overdreven optimisme zijn.

Dinsdagochtend 2 januari… De feestdagen zijn prettig geweest, maar ook culinair overdadig. Toch bestijg ik rond half negen mijn stalen ros: een hippe mountainbike die al anderhalf jaar staat te wachten op een deftig ritje. Na exact 115 meter fietsen, is het al om zeep. Een onooglijk lichte helling en een zucht westenwind. Mijn lichaam stuurt alarmsignalen naar mijn brein. “Wat krijgen we nu? Waar zijn we mee bezig, De Clercq? Wilt ge daar alstublieft onmiddellijk mee ophouden?” Wat na 18 maanden zonder sport nog rest aan beenspieren verzuurt onmiddellijk. Nog 5 kilometer en 385 meter te gaan op karakter. Elke hobbel in de weg lijkt een Mont Ventoux.  Vierentwintig versnellingen op mijn fiets is plots belachelijk veel te weinig. ‘Versnellingen’ wordt tijdens mijn lijdensweg trouwens de meest ongepaste term ooit. De brug over de Schelde doet me kreunen als Walter Grootaers in zijn topjaren. De afdaling komt maar net op tijd en mijn spiervezels zuchten dankbaar om de korte verpozing.  Maar een kilometertje verder heb ik alweer dringend een excuus nodig om even voet aan de grond te zetten. Mijn sjaal gaat uit in een wanhopige poging om mijn zweetklieren wat te sussen. Pas een dozijn minuten later parkeer ik in de fietsstalling… We hebben het gehaald, mijn trouwe mountainbike en ik. Met het goede voornemen om dit NOOIT MEER OPNIEUW te doen.

Maar als ’s avonds de rugwind me gezwind richting vrouw en kinderen blaast, ziet het fietsgebeuren er op slag weer wat rooskleuriger uit. Misschien wordt het geen dagelijkse kost, maar een paar keer per week… dat moet toch lukken?