Tagarchief: Schepens

Eugenio: een fragment

Fragment uit de historische roman ‘Eugenio’ over de jonge Vlaming Eugeen Schepens die eind 19de eeuw succesvol een Belgische landbouwkolonie stichtte in de Argentijnse provincie Entre-Rios. Het boek (120 pagina’s) bestellen kan via info@kl4vier.be  Kostprijs= 14€ exl. verzending. 

18 mei 1879

“Ik ga naar Uruguay!” Het klinkt enthousiast. Rotsvast overtuigd van zijn eigen gelijk. Maar Constance’s hart maakt allesbehalve een sprong van vreugde. Ze kijkt in de blinkende ogen van de pezige jonge kerel die voor haar staat. Lange bruine broek, wit hemd waar voor één keer een koppel knoopjes te veel open staat. Handen van een boerenzoon, maar dan wel een paar dat al lang niet meer in de grond heeft gewroet. Er zit meer inkt dan aarde onder zijn nagels. Terecht. Constance wist al lang dat haar op één na oudste zoon het ver zou schoppen. Maar helemaal tot in Uruguay? Dat is toch wat gortig. Hoewel. Helemaal onverwacht is het niet. Sinds Eugeen in Leuven studeert, komt het thema emigratie regelmatig aan bod rond de keukentafel.
“Uruguay, jongen… Besef je wel wat je zegt? Dat is de andere kant van de wereld. Drie weken varen om de oceaan over te steken en dan nog je weg zoeken door dat onderontwikkeld gebied daar? Waarom blijf je niet wat dichter bij huis? Bij je moeder. Bij je broers en je zus.”
“Je weet toch dat daar een mooie toekomst op ons ligt te wachten, moeder? Op enkele jaren tijd worden we daar even rijk als hier na decennia zwoegen!” Eugeen schreeuwt het bijna van enthousiasme. “En ik moet jou en Paulina en mijn broers toch niet achterlaten? Ga mee!”
Constance zucht diep. “Ik ben zeventig jaar, Eugeen. Ik woon al heel mijn leven in Welden. Een oude boom verplant je niet zomaar. Ik zou het niet overleven. Het is zelfs goed mogelijk dat een jonge kerel als jij zo een onderneming met de dood bekoopt!”
“Dolce est pro patria mori,” antwoordt Eugeen gevat.
“Je weet dat ik alleen kerklatijn ken, jongen,” vermaant Constance hem. “Op de universiteit mocht je geleerd doen, maar hier spreek je je moedertaal.”
“Ik ben bereid om te sterven als ik daarmee iets goeds heb gedaan voor mijn landgenoten! En ik wil dit met hart en ziel, moeder. Wie schrik heeft, faalt!”

En nog eens legt Eugeen aan de keukentafel van naaldje tot draadje uit waarom een volksplanting van Vlamingen in Zuid-Amerika zo’n schitterend idee is. België is dichtbevolkt en er is weinig werk. De armoede neemt toe. Eugeen groeide zelf op in een gezin van welstellende boeren. Genoeg te eten en te drinken. Hij mocht naar het college in Oudenaarde en net als zijn broer Ward zelfs naar de Universiteit in Leuven. Zij hadden zeker niet te klagen. Maar Eugeen ziet ook wel dat niet alle jongens in het dorp het zo goed hebben. Hun vaders zitten 14 uur of meer per dag te weven, te spinnen of manden te vlechten, maar kunnen niet concurreren met de machines die in grote fabrieken hetzelfde werk doen. Of ze pachten akkerland waarvan de opbrengst grotendeels naar de grootgrondbezitters gaat. Roggebrood en aardappelen in karnemelk, dat is hun dagelijkse rantsoen. Geen stuiver kunnen ze opzij zetten.

“Maar aan de andere kant van de wereld… Daar is er ruimte zat!”, zegt Eugeen overtuigend. “Ze smeken om werkvolk en boeren die de vruchtbare gronden willen ontginnen. Het is het land van melk en honing. Een Eldorado. Met regeringen die de nieuwkomers volop willen steunen. In België wordt het land geleid door wie geld heeft. Dankzij het cijnskiesrecht heeft de arme bevolking helemaal niets in de pap te brokken,” pleit hij.
“Moeder, ik wéét gewoon dat mijn plan gaat slagen. Maak je geen zorgen. Ik ga daar trouwens niet alleen naartoe. In je eentje red je het niet zo ver van huis. Ik ga zoveel mogelijk gezinnen uit de streek warm maken voor mijn ideeën. We stichten een Vlaamse kolonie in Uruguay!”

En hij stormt weg. Het erf af, richting de kerk. Op zoek naar  mensen die in de ideeën van een zesentwintigjarige dromer willen geloven.